Reisverhalen over onze ruiterreizen

Mongolië - Land van blauwe luchten en weidse vlaktes

In een stofwolk komen de ruiters aan over de vlakte. Dit is Mongolië, waar de ruiters kleurig gekleed gaan en de paarden harder lopen dan elders. En reageren op 'chuu!'. Mongolië, eens het trotse wereldrijk van de krijgers van Djengis Khan, nu een nog ongerept land van eindeloze vlaktes, blauwe luchten en vriendelijke mensen.

Met de camera in de aanslag lopen we door het gras de heuvel af. Beneden staat een groepje wilde paarden rustig te grazen. De rust is schijn, want de Takh, zoals de wilde paarden hier genoemd worden, houden ons wel degelijk in de gaten. Als we naderen lopen ze steeds een eindje verder weg en het lukt ons niet om heel dichtbij te komen. We zijn in het Hustai National Park in Mongolië, waar de wilde Takh weer terug geplaatst worden, waar ze horen. Eens wisten de Mongolen met deze paarden onder leiding van Djengis Khan een rijk te veroveren dat zich uitstrekte van China tot centraal Europa. Dit rijk is verdwenen, maar het paard is voor de Mongolen nog even belangrijk als toen. Toch werd de wilde Takh rond 1900 op grote schaal gevangen en naar West Europa getransporteerd. Daar werden de dieren in gevangenschap gefokt en werden ze bekend onder de naam Przewalskipaard. De Nederlanders Jan en Inge Bouman streden jarenlang voor betere fokprogramma's en de terugkeer van de Takh naar zijn geboortegrond: de steppen van Mongolië. In het Hustai National Park, gelegen op 95 kilometer ten westen van de hoofdstad Ulaan Baatar, worden ze uitgezet. En met succes: de 84 Takh, die tien jaar geleden werden los gelaten, zijn inmiddels uitgegroeid tot een kudde van meer dan 140 dieren. In het park, met een oppervlakte van meer dan vijftigduizend hectare komen honderden soorten inheemse planten, vogels en zoogdieren voor, waaronder de gier, de grijze wolf en de steppevos. In samenwerking met de Nederlandse overheid wil het Hustai park het ecotoerisme naar Mongolië bevorderen en de leefomstandigheden van de bevolking verbeteren door onder andere het opzetten van een kaasmakerij en een yoghurtfabriek. Want het toerisme in dit land, dat na decennialange overheersing door de Sovjet-Unie in 1990 weer een onafhankelijke republiek werd, staat nog in de kinderschoenen.

Misschien juist daarom heeft Time Out Reizen het aangedurfd om, na vele jaren, weer een reis naar dit prachtige land te organiseren. De belangstelling was groot en dus reist ons groepje, dertien dames en één heer, tien dagen door Mongolië, waar we kennismaken met de authentieke Mongoolse cultuur en enkele schitterende natuurgebieden te paard zullen verkennen. En dat is een speciale ervaring. Want de kleine, sterke en ranke Mongoolse paarden zijn gewend om vooral hard te gaan en reageren direct op de aansporing 'Tsjoe!' 'Een heel andere manier van rijden, vergeet maar wat je tot nu toe hebt geleerd', weet reisgenoot Marlies, die vaker in Mongolië is geweest. Lekker in het zadel zitten tijdens de galop is er niet bij. De Mongolen staan tijdens de galop, want hun zadels zijn van hout, vaak kleurrijk geschilderd in oranje en paars en met een versiering van metalen rozetten op de zijkant, die dus lekker in je dijbeen prikt. De exemplaren, die we op de eerste dag van ons verblijf in Ulaan Baatar in de vitrine van het 'Museum of Mongolian Natural History' zagen, hadden ons wat huiverig gemaakt voor wat ons te wachten stond. 'Wij zullen toch ook niet...?'. Gelukkig is er rekening gehouden met onze gevoelige Westerse zitvlakken. Op de houten zadels worden lekkere dikke kussens gebonden en dat is andere koek. Even later, tijdens een 'proefrit' door het Hustai park is het nog wel even wennen - de kussens willen nog wel eens wegschuiven - maar allengs raakt iedereen min of meer vertrouwd met de zit van de Mongoolse paardjes. Benen naar voren, goed achterover zitten, een hand aan het zadelboogje en gaan. 'Joehoe!'.

Germotels
Op weg naar het park, in vijf yeeps over een smalle asfaltweg vol kuilen en gaten ('die zijn er speciaal ingemaakt zodat de Mongoolse chauffeur niet in slaap valt tijdens lange monotone ritten') toont gids Togi ons vol trots de germotels die overal langs de weg verrijzen. De wet op privé-bezit van land is vorig jaar versoepeld en particulieren kunnen nu een lapje grond kopen om er een germotel op te zetten. In de ger, de ronde tent van vilt, leven de Mongoolse nomaden al eeuwenlang. Niet alleen op het platteland, waar ze van weidegrond naar weidegrond trekken. Ook in de steden staan gers als vaste woonplaats tussen de stenen huizen. Soms zijn ze ingericht als restaurant.

Ook wij zullen er vanavond in slapen als we aankomen in het gebied van de Khognokhaan bergen. Ons groepje wordt verdeeld over de diverse ronde tenten van het Hugnu Govi camp. Het is even bukken om door het lage, fraai beschilderde houten deurtje naar binnen te gaan, maar eenmaal binnen kun je rechtop staan en is er alle ruimte. In iedere ger staan twee comfortabele bedden, een nachtkastje, toilettafel en een houtkacheltje, waarvan de schoorsteenpijp door een gat in het dak verdwijnt. Op de middenpaal zit zelfs een stopcontact, dat via een generator een paar uur per avond stroom levert.

Erdene Zuu
De volgende morgen gaan we - per auto - verder westwaarts, waar vlakbij de oude hoofdstad Karakorum het klooster Erdene Zuu ligt. Dit in 1220 gestichte klooster, omgeven door een vierhonderd meter lange muur met 108 stupa's, is het oudste klooster van Mongolië. Hier stichtte Djengis Khan zijn hoofdstad en van hieruit regeerde hij zijn wereldrijk. Binnen de muren van het immense complex staan verschillende Boeddhistische tempels, maar ook een Tibetaanse, een kopie van de tempel in Lhasa. We wonen er een sutralezing bij en ontmoeten een oude Mongoolse vrouw met diverse medailles op de borst gespeld. Het betekent dat ze vele kinderen heeft gebaard. Voor elke vijf kinderen, die zij kreeg, mocht een vrouw een medaille van de regering in ontvangst nemen. Het systeem is inmiddels in het moderne Mongolië achterhaald. Ook hier doet men aan geboortebeperking, al zijn geheel kinderloze echtparen nog steeds 'not done'.

Een paar kilometer verderop ligt het Anar gerkamp, ons onderkomen voor de komende nacht. Schitterend gelegen aan een rivier met een woeste stroomversnelling, waar elektriciteit wordt opgewekt. Aan de oever ligt een oude schuit, die nu dienst doet als gezellige bar. We zullen er 's avonds met z'n allen de nodige flessen wodka soldaat maken. Wodka, de nationale drank van Mongolië is hier niet duur en in alle soorten en smaken te koop. Mijn op het vliegveld aangeschafte wodka met bosbessensmaak vindt gretig aftrek en niet alleen bij de Mongoolse gidsen, die ons begeleiden.

Maar na de lunch gaan we eerst op de paarden. We rijden over de vlakte langs de rand van de grijsgroene bergen en stuiten onderweg op de voorbereidingen voor het Naadam festival. Dit jaarlijkse festival in juli, dat drie dagen duurt, is een landelijke wedstrijd in worstelen, boogschieten en paardrijden. De paardenraces, gereden door kinderen van 6 tot en met 8 jaar op drie- en vierjarige paarden, zijn het hoogtepunt. Wij zullen net lang genoeg in Mongolië blijven om het bij te kunnen wonen. Op de vlakte krijgen we vandaag al een voorproefje. De paarden zijn fraai uitgedost. De lok op het voorhoofd is door een kleurig lint bijeen gebonden in een toefje en ook het middendeel van de staart is ingebonden. Jonge ruitertjes, vaak in prachtige kleren en met papieren kroontjes op het hoofd, slaan de paarden onophoudelijk op de kont om zo hard mogelijk te gaan. Een stofwolk in de verte verraadt dat de ruiters eraan komen. Even later zijn ze - roepend en schreeuwend - voorbij. Wij vervolgen onze rit over de vlakte en zetten koers naar een ger in de verte. Daar, bij een jong gezin met twee kinderen, gaan we op bezoek. Voor veertien mensen is het dringen geblazen in de ger. Toch worden we gastvrij ontvangen. Een schaaltje gumish gaat rond. De gefermenteerde merriemelk smaakt naar dunne karnemelk en is lekker fris. Ook krijgen we zelfgemaakte kaas aangeboden. De brokkelige, lichtgele kaas is keihard en heeft iets weg van Parmezaanse kaas. Niet iedereen houdt ervan, getuige de stiekem achtergehouden en uitgespuugde brokjes. De Mongoolse nomaden, die een sober bestaan leiden, leven voornamelijk van de melk- en vleesproducten van de dieren die zij houden: geiten, schapen, paarden, soms koeien en een enkele keer yaks en kamelen. Ze eten weinig groenten en fruit, al is dat in de steden goed verkrijgbaar. Wij als toeristen krijgen het dagelijks - als lunch én diner - voorgeschoteld, meestal als rauwkost vÛÛr de hoofdmaaltijd van schapen- of rundvlees. 'Soms als het slecht gaat en strenge winters de kuddes hebben uitgedund, leven de nomaden 's zomers uitsluitend op gumish', weet Togi, 'er zitten veel vitamines in, het is eten en drinken tegelijk.' Drie jaar geleden was er zo'n strenge winter. Ook nu nog zien we tijdens onze tochten heel veel paardenschedels en botten in het land liggen. Dieren die de barre winter niet hebben overleefd.

Aan de waslijn
De volgende dag zijn we terug in het Hugnu Govi kamp. Bij de ingang ligt een flinke stapel zadels opgetast, met lekkere dikke kussens. Dat belooft veel goeds. Na de lunch kondigt gehinnik en hoefgetrappel aan, dat de kudde in aantocht is, te voet gevolgd door een oudere man, gekleed in lange wollen Mongoolse jas. Als uit het niets doemen zijn assistenten te paard op, gewapend met vangstokken. Met deze lange stok, met een lasso aan het uiteinde, wordt een 'geselecteerd' paard gevangen uit de kudde en aan de waslijn vast gezet. Aan de lange lijn, gespannen tussen twee palen, worden de paarden vastgehaakt. Je ziet ze bij elke ger staan. De paardenman maakt een misrekening, als hij te voet met de vangstok achter een bonte ruin aan gaat. Hij weet het dier te strikken, maar de ruin is sterker en trekt de paardenman op zijn kont tientallen meters door het zand achter zich aan, tot deze moet loslaten. 'Nu zie je Mongools skiën', zegt Togi lachend.

We maken een mooie tocht langs de voet van de bergen met schitterende rotsformaties. In dit gebied zijn ook veel zandduinen, wat een heel afwisselend landschap geeft. Er huizen hier veel grote marmotten en de iets kleinere grondeekhoorns, die flinke holen graven in de bodem. De paardenman - wijs geworden - maant ons tot oplettendheid tijdens de galop. We rusten bij een inham tussen spectaculaire rotsformaties, waar blauwe linten zijn gespannen. Op een vlakke rots staat een theeketeltje met kleine koperen cupjes. Een heilige plaats. Twee Mongoolse mannen zitten op een bankje en nodigen ons uit erbij te komen zitten. Het is warm in de brandende zon, maar de Mongolen schijnen er geen last van te hebben. Wij zoeken liever de schaduw op aan de zijkant van de rotsen, waar overal paardenschedels liggen, soms versierd met blauwe linten.

Terelj
Na een rustdag in Ulaan Baatar verkennen we het Terelj national park aan de oostkant van de hoofdstad. De weg erheen is op zich al een belevenis. Regelmatig staan er kuddes paarden of geiten midden op de weg of steekt een yak loom de weg over. Luid toeterend, maar zonder vaart te minderen, nadert het snelverkeer, waarna de kudde ijlings de vlakte in draaft. Uit het zijraam van een legerbusje steekt een grote koeienkop naar buiten. Als we passeren zien we op de achterbank drie runderen staan. Ook paarden worden op deze wijze wel vervoerd. Of gewoon staand met z'n tienen in de laadbak van een pick-up. Op de achterkant van een personenauto zit een opgevouwen ger vastgebonden. Het spakenwiel, dat het hart en de top van de ger vormt, steekt boven alles uit. De nomade gemotoriseerd.

Midden op de eenzame vlakte van Terelj staat paardenman Tunga te wachten met zijn kudde. Hij is traditioneel gekleed in de lange Mongoolse jas met wijde mouwen en met het typische Mongoolse petje met punt op het hoofd. Tunga, getekend door het harde sobere leven, is net vijftig, maar toont veel ouder. Op twee karren, getrokken door yaks, wordt onze bagage geladen en na een picknicklunch gaan we met Tunga en zijn paarden op weg. In Terelj is het landschap meer begroeid dan aan de westkant van Mongolië. Terwijl adelaars boven onze hoofden cirkelen, rijden we door laag struikgewas en steken een heel brede rivier over. Er zullen er nog veel volgen. Na een periode van droogte zijn de rivieren nu niet diep. Een voordeel, want ook met hun personenauto's rijden de Mongolen er gewoon doorheen. Het is warm en in dit gebied zitten veel horzels. Mijn zwarte ruin, een fijne galoppeur, trekt door zijn kleur kennelijk de vliegen aan, want hij zit onder, waardoor hij erg onrustig is. Een flinke galop is de oplossing om even van de horzels verlost te zijn. In vliegende galop rennen we door het dal en de heuvel op. Dit moeten de horden van Djengis Khan ook gevoeld hebben. Dat gevoel van vrijheid in dit lege land met zijn uitgestrekte vlakten en eindeloze luchten. Als één van de paardenjongens langszij komt en 'chuu' roept, doet mijn paard er nog een schepje bovenop. En we gingen al zo hard! Het geeft een machtig gevoel. Wat later moeten we afstijgen, als we boven op de kam van een berg aankomen. Steil gaat het naar beneden en we dalen te voet af, paarden aan de hand. In het gras bloeien witte, gele en paarse bloemen. Het ruikt er heerlijk en het uitzicht is adembenemend.

's Avonds zetten we een tentje op naast de Tuul rivier, waarin ik een verfrissend bad neem, wat niet meevalt met al die gladde stenen op de bodem. Onze Mongoolse begeleiders zetten in een uur een ger op, waarin zij voor ons koken en zelf slapen. En - wat een verrassing - er is een masseuse bij, die ons om beurten een heerlijk ontspannende massage geeft.

Als ik de volgende ochtend mijn tentje open rits, kijk ik pal in het gezicht van een enorme yak, die vlak voor de ingang ligt, afgetekend tegen de heiige bergen. Het heeft vannacht geregend en is koud geweest. Als wij te paard zitten is de zon al weer warm. Er staat ons vandaag een lange tocht te wachten over beboste hellingen, kale bergkammen en door brede rivieren. In de middag betrekt de lucht en later als wij over de vlakte rijden begint het echt te regenen. En niet zo zuinig ook. Bliksemflitsen schieten door de lucht en hagelstenen teisteren de paardenflanken en onze ijlings aangeschoten regenjacks. Maar zo ver het oog reikt, geen schuilplaats te bekennen. Tegen zevenen sjokken we onze kampplaats binnen, inmiddels droog gewaaid, maar wel compleet Ûp. Wat smaakt zo'n biertje dan lekker!

De Mongolen verrassen ons door een speciale stoofschotel te maken van vers geslacht lam, dat met aardappelen en groenten door middel van hete stenen in een melkbus wordt gegaard. En na dat heerlijke eten en een ontspannende massage zijn we de ontberingen al snel vergeten. Bij een groot kampvuur gaat de wodka rond en dansen we met de paardenmannen. Mongolië, wat een prachtig land en wat een lieve mensen.

Reisverhaal van: Ine van den Boer (journaliste van de Hoefslag)

Meer verhalen over deze reis...

ga naar boven

Zoek snel...

Ruiterreizen in beeld

Reisbrochure bekijken

Vaste klantenkaart

Spaar mee voor hoge kortingen op onze ruiterreizen...
Lees meer over de 'vaste klantenkaart'...

Ruiterreizigers forum

Vind een reisgenoot of vraag informatie aan andere ruiter reizigers. Bezoek het ruiterreizigers forum...